REFERENTIES  

Sporten goed voor u en de maatschappij!

Grote groepen mensen zijn wekelijks, soms dagelijks sportief actief. Zo zijn in Nederland 4,4 miljoen mensen lid van een sportvereniging. Bovendien sporten miljoenen mensen in ongeorganiseerd verband. In totaal beoefenen ruim 7 miljoen Nederlanders wel eens een sport. Daarnaast zijn veel mensen op een andere manier bij de sport betrokken, bijvoorbeeld als bestuurder, vrijwilliger, scheidsrechter of toeschouwer. Sport is dan ook meer dan een plezierige vorm van vrijetijdsbesteding. Steeds sterker wordt de maatschappelijke waarde van sport onderkent. Sport draagt bij aan de bevordering van gezondheid, welzijn, emancipatie en integratie. Kortom, sport en sportief bewegen zijn van onschatbare waarde voor onze samenleving. NOC*NSF en de landelijke overheid spannen zich dan ook nadrukkelijk in om een ieder, ook werkgevers, ervan te overtuigen dat sportende werknemers veel voordelen opleveren boven niet-sportende medewerkers. Sport komt meestal echter in negatieve zin in de publiciteit met onderwerpen als dopinggebruik, plotse dood bij sport, seksuele intimidatie en voetbalvandalisme. Negatief zijn ook de veel voorkomende sportblessures. Jaarlijks zijn er in Nederland zo'n 2,9 miljoen sportblessures te betreuren. In totaal raadplegen 1,1 miljoen geblesseerden per jaar een arts of fysiotherapeut. Naar schatting bedragen de medische kosten als gevolg van sportblessures 395 miljoen gulden en de verzuimkosten 374 miljoen. Jaarlijks leiden sportblessures tot ziekteverzuim van 310.000 werknemers. Gemiddeld duurt zo'n verzuimblessure bijna 7 werkdagen. Waarbij overigens meteen moet worden aangetekend, dat deze schadelast als gevolg van sportblessures zich gunstig afsteekt ten opzichte van ongevallen in de privé-sfeer, in het verkeer of in het bedrijf!! Desalniettemin getallen die voor NOC*NSF en de sportwereld aanleiding geven om intensief door te gaan met haar activiteiten op het gebied van blessurepreventie. De sport acht het ook haar verantwoordelijkheid om hier iets aan te verbeteren. Bijdragen vanuit de landelijke, provinciale en lokale overheid zijn hierbij vanzelfsprekend onontbeerlijk.

In de praktijk ervaren ondernemers sportblessures door het zogenaamde 'maandagochtendverzuim' regelmatig als zeer vervelend. Zij zien de sportende werknemer steeds meer als een bedrijfsrisico. Dit heeft ertoe geleid dat werkgeversorganisaties, zoals in de metaalnijverheid, deze maatschappelijke kostenposten naar het individu willen toerekenen. Naar de mening van NOC*NSF is dit onterecht, hetgeen nader zal worden toegelicht.

Om te beginnen is het interessant te kijken hoe er wordt gesport of anderszins aan vormen van lichamelijke activiteit wordt gedaan door verschillende leeftijdsgroepen tussen de 18 en de 65 jaar (de potentiële beroepsbevolking). Uit Schmikli et al. (1995) blijkt dat met het toenemen van de leeftijd een gestage daling optreedt van het relatief aantal sporters, zowel bij mannen als bij vrouwen. De sportparticipatie neemt af van circa 50% bij 18-jarigen tot circa 30% bij 65-jarigen. Met name neemt het aantal wedstrijdsporters sterk af tot vrijwel 0% bij 65-jarigen. dit is ook het geval bij het sporten in georganiseerd verband, zij het dat de daling daar minder is. Daartegenover stijgt het aantal mensen dat in ongeorganiseerd verband aan sport doet (bijvoorbeeld trimmers/joggers). Het aantal uren per week dat aan sportbeoefening wordt besteed is gemiddeld genomen over alle leeftijdsgroepen vrij constant en schommelt steeds rond de 3,5 uur. Daarnaast stijgt met de leeftijd het aantal mensen dat kiest voor andere vormen van (sportief) bewegen, waarbij fietsen, wandelen, tuinieren en zwemmen hoog scoren bij mannelijke en vrouwelijke 55-plussers, zoals blijkt uit gegevens van het CBS (zie Backx et al. 1994). Echter het aantal lichamelijke inactieven stijgt tussen de 18 en 65 jaar en van ongeveer 25% naar ongeveer 40%. Als alleen naar sporters gekeken wordt, dan blijkt het aantal blessures dat bij per 1.000 uur sporten optreedt na het 45ste levensjaar in ongeveer gelijke mate te dalen bij mannen en vrouwen, gemiddeld een kwart blessure per persoon bij 65-jarigen. Bij mannen doet deze daling zich overigens al voor vanaf het 30ste levensjaar. Maar zelfs in de leeftijdsgroep tussen 18-30 jaar raakt de gemiddelde sporter slechts eenmaal per ruim anderhalf jaar geblesseerd. In 60% van de gevallen betreft dit een lichte blessure (bijvoorbeeld blauwe plek) waaraan geen medische hulp te pas behoeft te komen. Dit houdt in dat de gemiddelde sporter in zijn/haar hoogste risicojaren ruim drieëneenhalf jaar kan sporten zonder een wat ernstiger blessure op te lopen, die leidt tot medische consumptie en eventueel tot arbeidsverzuim. Natuurlijk is het risico op blessures niet gelijk bij alle takken van sport. De kans zodanig geblesseerd te raken dat medische hulp noodzakelijk is, is in de populaire takken van sport het hoogst bij veldhockey, veld/zaal korfbal en veldvoetbal (mannen) en veld/zaal korfbal, binnentennis en veldhockey (vrouwen). Er zijn wel sporten met een aanzienlijk hoger risico op ernstige blessures, zoals boksen, maar dergelijke sporten leggen door het gering aantal beoefenaren weinig gewicht in de schaal. In absolute zin is veldvoetbal met ongeveer 800.000 beoefenaren de grootste boosdoener wat betreft het blessureleed.

Uit het voorafgaande moge blijken dat men op moet passen met algemene uitspraken over sporten en blessures in relatie tot medische kosten en arbeidsverzuim. er zijn in deze opzichten grote verschillen tussen de geslachten, leeftijdsgroepen, beoefende takken van sport en wijze van sportbeoefening. Zo heeft Inklaar (1995) aangetoond dat voetballen op een hoog niveau aanzienlijk riskanter is dan voetballen op een laag niveau. Overigens blijkt het voeren van een lichamelijk inactieve leefstijl ook niet zonder risico's te zijn. Uit de gezondheidsenquête van het CBS bleek dat lichamelijk inactieven gemiddeld genomen meer gezondheidsklachten, psychosomatische klachten, lichamelijke beperkingen en langdurige aandoeningen hebben en tevens een lager psychosociaal welbevinden melden dan lichamelijk actieven en sporters (Bol et al. 1997). Mosterd et al 1996 zijn uitvoerig ingegaan op de gezondheidsrisico's van een lichamelijk inactieve leefstijl.

Naast mogelijke schade aan de gezondheid kent sportbeoefening gelukkig vele positieve effecten. Regelmatige lichamelijke activiteit cq sport leidt tot een kleinere kans op hart- en vaatziekten, botontkalking, overgewicht, hoge bloeddruk, beroertes, lage rugklachten, niet-insuline afhankelijke suikerziekte en voortijdig overlijden. Daarnaast bevordert sport het afweersysteem en de lichamelijke fitheid. Door sport en sportief bewegen is men beter bestand tegen stress. Bewegingsarmoede of lichamelijke inactiviteit wordt dan ook sedert enkele jaren wereldwijd beschouwd als een onafhankelijke risicofactor voor de gezondheid. Tevens wordt sport bij sommige aandoeningen, zoals chronisch hartfalen, CARA, reumatoïde artritis en depressie, benut als een aanvullende vorm van therapie.

In onze westerse samenleving echter, is de noodzaak tot bewegen sterk afgenomen. Door allerlei technologische ontwikkelingen en een voortschrijdende automatisering bewegen we weinig in de privé- en arbeidssituatie. Van de volwassen Nederlanders blijkt 34% in de vrije tijd lichamelijk inactief te zijn en slechts een kwart regelmatig actief. Vele Nederlanders zitten hun gezondheid dus letterlijk in de weg. Het bestrijden van lichamelijke inactiviteit wordt derhalve gezien als een belangrijk en niet-medicaliserend preventiemiddel. NOC*NSF is daarom van mening dat werkgevers hun maatschappelijke verantwoordelijkheid moeten laten gelden door bij te dragen aan het terugdringen van de bewegingsarmoede in Nederland. Temeer omdat in de maatschappelijke discussies over de kosten van de gezondheidszorg, arbeidsverzuim en arbeidsongeschiktheid helaas niet of nauwelijks aandacht wordt besteed aan de besparingsmogelijkheden van gezond gedrag. Recentelijk zijn evenwel onderzoeksgegevens bekend geworden over de maatschappelijke kosten van bewegingsarmoede. Economische toekomstscenario's wijzen uit dat onze samenleving 798 miljoen kwijt zou zijn aan extra medische kosten, indien alle actieve Nederlanders van nu lichamelijk inactief zouden zijn. Kosten die vooral veroorzaakt worden door een toename aan aandoeningen van het hart- en vaatstelsel, het bewegingsapparaat en psychische aandoeningen. Trekken we daar de kosten van sportblessures af die in dat geval bespaard blijven dan blijft er nog een extra kostenpost van 403 miljoen gulden over. Indien alle sporters en overige actieve Nederlanders genoodzaakt zouden zijn lichamelijk inactief te worden dan bespaart dit 374 miljoen aan arbeidsverzuim door sportblessures. Daarentegen kost het 1.566 miljoen meer aan arbeidsverzuim als gevolg van extra aandoeningen, die nu door sport en bewegen "vermeden" worden. Per saldo wordt dan een virtuele winst qua arbeidsverzuim geboekt van 1.192 miljoen. De totale nationale besparing ten aanzien van medische en verzuimkosten tezamen bedraagt dus bijna 1,6 miljard gulden per jaar! Helaas realiseren werkgevers maar ook overheidsorganen zich niet dat in talrijke studies naar arbeidsverzuim bij sporters steeds wordt aangetoond dat niet-sporters in totaliteit meer arbeidsverzuim hebben dan sporters. Zelfs veldvoetballers, die het imago hebben veel arbeid te verzuimen door voetbalkwetsuren, blijken positief af te steken ten opzichte van niet-sporters.

De eindconclusie dient dan ook te zijn dat sportbeoefening de maatschappij en dus ook het bedrijfsleven meer oplevert dan dat ze aan blessures lijkt te kosten. Derhalve is en blijft het bevorderen van sport en sportief bewegen uiterst belangrijk. Het in beweging krijgen van de huidige groep inactieven levert de maatschappij per saldo een besparing op aan medische bestedingen van 418 miljoen gulden op jaarbasis. Meerjarige campagnes zoals "Nederland in Beweging!" en "Jeugd in Beweging", die gezond sportief bewegen bevorderen, zijn daarom uitermate noodzakelijk. Een daadwerkelijke stimulans uit werkgeverskringen is alleen al op grond van economische kosten-baten analyses verstandig. Sportende werknemers verdienen feitelijk een bonus en geen malus. Het is profijtelijk om als ondernemer inactieve werknemers te stimuleren meer te bewegen. Om te beginnen: fietsen naar het werk.

Terug naar het referenties overzicht.